Een verkeerde redenering

Elke arbiter zal het beamen, het is en blijft moeilijk om goed te beoordelen of een stoot wel of niet een biljardé is. Soms is het gewoon overduidelijk. Vaal gewoon heel moeilijk.

Al weer een tijdje geleden was ik toeschouwer bij gewestelijke teamfinales.
Van een van de lagere klassen. Prima georganiseerd. Goed gekwalificeerde arbiters aan de tafels. Dat zie je wel eens minder. Het wordt nu eenmaal steeds moeilijker om voldoende mensen te vinden die meer willen doen dan alleen het eigen spelletje spelen.
Hier was het prima voor elkaar.

In een partij zag ik twee keer een arbitrale beslissing waarvan ik dacht: zou dat wel…..? Er lag een trekstoot, met tussen de speelbal en de bal misschien hooguit een paar centimeter ruimte. De bal zou in de lengte van het biljart moeten, dus de afstoot diende toch best wel pittig te worden. Dat deed de speler dan ook. Ondanks de korte afstand tot bal twee leek het mij een correcte stoot. De arbiter, die er goed bij stond, dacht er evenwel anders over. Hij telde de speler resoluut af wegens biljarderen. Niks mis mee, hij is de arbiter, staat er bij en volgt zijn eigen waarneming zoals dat hoort, terwijl ik op afstand zit.
Even later lag er een positie waarbij de speelbal wel vrij lag van bal twee, maar er toch zo dichtbij, dat de arbiter het met een hand er boven extra moest bezien. Een leuke positie, mooi kort bij de band. De speler dacht er even over na en besloot de bal heel dun langs bal twee te spelen. Zo gedacht zo gedaan. ’t Was wel mooi dun gespeeld, maar bal twee rolde toch een kleine baldikte om. De keu ging eveneens zo’n baldikte dóór.

Dus dacht ik: als de speelbal maar een 0.2 mm vrij ligt – want anders hoef je niet met een hand er boven te kijken- dan houdt dat in dat de keu, na het raken van de bal, hooguit 2 mm mag doorgaan, wil de arbiter nog kunnen zien dat de pomerans niet meer in contact is met de speelbal, op het moment dat de speelbal bal twee raakt. Ik verwachtte dat de arbiter, gezien zijn beslissing bij dat eerdere trekballetje, ook deze stoot zonder pardon zou afkeuren.
Niet dus. Hij keurde de carambole zonder zelfs een merkbare aarzeling goed.

Daar wilde ik het mijne van weten, dus na afloop sprak ik de arbiter aan met de vraag waarom hij de eerdere trekstoot, waar volgens mij enige twijfel toch wel gerechtvaardigd was, zo resoluut afkeurde, maar daarentegen de latere stoot, die , zo leek het mij, een veel duidelijker biljardé was, zonder aarzeling goedkeurde. Zijn uitleg was verrassend. “Die trekstoot”, zei hij, “had maar een paar centimeter ruimte. Op die afstand kun je niet trekken, dus tel ik hem af. Bij die latere stoot lette ik goed op de stootrichting. De ke was niet náár, maar lángs bal twee gericht. Ik sta vaak”, voegde hij er nog aan toe, “Aaan de tafel bij ‘hoge’ spelers, zoals kaderspelers. Die spelen een bal heel vaar\k op die manier dus is het goed”.

Die redenering is niet goed. We pakken snel het Spel en Arbitrage Reglement (SAR) er bij. Artikel 5209 lid 4a. Daar staat niet: een bal is correct gespeeld omdat hoge spelers het ook zo doen. Er staat: een biljardé, dus fout, is het met de pomerans nog in contact zijn met de speelbal op het moment dat deze bal een andere bal of de band raakt. Dát is dus waar een arbiter naar moet kijken. De richting van de keu is daar niet meer dan een extra aanwijzing bij, als de arbiter niet voldoende zeker is van zijn waarneming. Ook denken dat iets niet kan is gevaarlijk. Wat de een niet kan, kan een technisch bekwame speler wellicht wel. Ook in het omgekeerde geval mag je niet automatisch aannemen dat, wat een hogere speler kan, dus ook bij anderen automatisch goed is.
Goed kijken en eventueel luisteren, daar draait het om.

Bron: Biljart totaal
Auteur: Piet Verhaar
Email: pietvangerte@hotmail.com

*** Een kwestie van sportiviteit *** Index ***  Ik ben toch geen arbiter ***

Facebooktwittergoogle_pluspinterest

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *