Biljartbanden

De biljarter ervaart de ene tafel als prettig, de andere als moeilijk. Er zijn nogal wat oorzaken te noemen waarom het verschil per biljarttafel kan verschillen: Het laken. Dit kan langzaam of juist snel zijn, nieuw of oud, wellicht zelfs vochtig. De ballen. Nieuw of oud, schoon of vuil, soepel of stug.
De psyche van de speler. Dit kan zeer subjectief zijn. Gaat het de eerste beurten goed of juist heel slecht, dan zal de speler al gauw geneigd zijn conclusieste trekken. Zo’n mening kan haaks staan op die van de tegenstander en is dus arbitrair.

De bandafslag. Hier raken we een concrete aanwijzing die werkelijk bij een bepaalde tafel hoort. Deze is meetbaar, bijvoorbeeld door middel van een ‘diamondsysteem’ en bepaalt voor het grootste deel wat ik zou willen noemen het ‘karakter’ van het biljart.
Een gevorderde speler zou tijdens het instoten de bandafslag moeten leren kennen, zodat hij tijdens de partij hiermee rekening kan houden. Geen sinecure, maar toch…

De oorzaken van verschillen van de bandafslag per tafel liggen deels ook aan laken en ballen, maar hoofdzakelijk toch aan de rubberbanden zelf.

Een doorsnede van een biljartband met rubber.
Een doorsnede van een biljartband met rubber.

De foto laat een doorsnede van een biljartband met rubber zien. Nog afgezien van de kwaliteit van de rubberband valt direct op dat de hoogte van de neus van de band, alsmede de hoek waaronder de rubberband is geplaatst per fabrikant nogal kan verschillen. Dit beïnvloedt direct het karakter van de tafel. Er bestaat ook geen handboek, waarin hoogte en hoek zijn beschreven. De biljarter dient dus altijd te dealen met het biljart waarop gespeeld moet worden. In praktijk blijken de verschillen niet erg groot te zijn en zal de wedstrijdspeler zich in het algemeen wel kunnen aanpassen. Storend wordt het als de kwaliteit van het rubber zo mager is dat de banden meer energie opnemen, dan nodig. Een goede band zal bij correcte montage slecht ongeveer 10 % energieverlies geven aan de bal, indien deze loodrecht op de band wordt gespeeld. Bij oude rubbers kan dit al snel oplopen naar 20 %. Bovendien is de snelheid van de speelbal ook nogal bepalend voor het energieverlies. Ouder rubber reageert meestal bij lage snelheid gewoon ‘eerlijk’ en gaat meer tegenwerken als veel harder wordt afgestoten.Voor de speler is dan geen aanpassing mogelijk. Bovendien zijn deze beperkingen onder verschillende hoeken van aanspelen, dus niet loodrecht, nog minder controleerbaar.
Om het een en ander goed waar te nemen heb ik een tiental opnames gemaakt op een biljart met banden van ongeveer drie jaar oud. Het laken, dus ook het bandlaken, had minimaal vijfhonderd werkuren en ik heb uitsluitend gemeten bij een loodrechte botsing op de baad. Hard of zacht spelen heeft nauwelijks invloed op het energieverlies, wel als de bal niet rollend, maar bijvoorbeeld glijdend of zelfs met trekeffect wordt gespeeld. Duidelijk zichtbaar werd dat de rollende bal na de botsing met de band eerst glijdt voordat hij zijn weg rollend voortzet in tegengestelde richting. Bij hardere afstoten wordt dit ‘glijden’ steeds meer zichtbaar en komt de bal ook telkens iets los van het laken (hier maken we kennis met het fenomeen ‘bonken’).

Nieuwe ballen en laken hebben door hun lagere wrijvingscoëfficiënt hier zeker veel invloed op, maar exact meten kan ik dat pas als het laken in augustus zal worden vernieuwd. Nog even geduld dus.Van de biljarter wordt inmiddels verwacht dat hij al deze variabelen bij het inspelen herkent en tijdens de partij zijn speelwijze daarop aanpast! Onbegonnen werk, dus het karakter van een biljart aanvoelen ligt de ene speler beter dan de andere en kan per partij behoorlijk verschillen.

Bron: Biljart Totaal (februari 2015)
Veel speelplezier,
Hans de Jager
h.d.jager@gmail.com

Pomerans deel III (januari 2015) – Index – Botsende ballen (maart 2015)

Bewaren

Facebooktwittergoogle_pluspinterest

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *